Nieuws

Nieuws

Slotsymposium Lumbricus onderstreept noodzaak voortzetting kennisprogramma

Hooggelegen zandgronden klimaatrobuust maken: het werk gaat door

De afgelopen vier jaar zijn in het programma Lumbricus praktijkgerichte onderzoeken uitgevoerd, maar ook maatregelen beproefd, die bijdragen aan klimaatrobuuste hogere zandgronden. Op 3 maart is het programma afgesloten met een bestuurlijk slotsymposium. Senior onderzoeker Klaasjan Raat over Lumbricus: “Als je structurele veranderingen wilt doorvoeren in waterbeheer, dan heb je vooraf inzicht nodig in welke maatregelen effectief zijn en hoe deze doorwerken elders in het systeem.”

In december 2016 werd de samenwerking tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en een consortium van waterschappen, kennisinstellingen en bedrijven in kennisprogramma Lumbricus beklonken. Lumbricus sluit nauw aan bij het programma Water in de Circulaire Economie (WiCE) van de drinkwaterbedrijven. Tijdens het afsluitende symposium van deze week, werd het belang van Lumbricus overduidelijk.

Droge jaren

Klaasjan Raat, onderzoeker bij KWR: “Al voordat Lumbricus van start ging, voerden we gesprekken over de noodzaak van een kennisprogramma over een klimaatrobuuste inrichting van de zandgronden. Bij kennisinstellingen en waterschappen leefde het besef dat een veranderend klimaat impact zal hebben op waterbeschikbaarheid. Daar moeten we ons op voorbereiden. Dat we tijdens het programma geconfronteerd werden met drie droge jaren op rij – 2018, 2019 en 2020 – hadden we vooraf niet kunnen bedenken. Maar het onderstreept wel de noodzaak ervan.”

Drie thema’s

Het programma heeft veel kennis, inzichten, instrumenten en werkwijzen opgeleverd voor het klimaatrobuust inrichten en beheren van stroomgebieden op de hogere zandgronden. Dat gebeurde aan de hand van drie thema’s:

  1. Inrichten en beheren: Welke maatregelen kun je nemen?
  2. Opschalen en combineren: Wat is het effect?
  3. Implementeren & uitvoeren: Hoe regelen we het?

KLIMAP

Dat Lumbricus nu is afgesloten, betekent uiteraard niet dat het samen werken en samen leren stopt. Dit gebeurt onder andere met het programma KLIMAP, waarin de Lumbricus-proeftuinen worden voortgezet en navolging vinden in nog vijf waterschappen. “Juist nu is kennisontwikkeling belangrijk”, vindt Raat. “Nederland staat voor grote uitdagingen in waterbeheer en watervoorziening. In de watertransitie moet en gaat veel gebeuren. Natuurlijk, er zijn no-regret maatregelen die je in droge jaren ad hoc kunt nemen, zoals het tijdelijk afsluiten van duikers in de kleinste watergangen voor het vasthouden van meer water. Maar als je echt structurele veranderingen in het waterbeheer wilt doorvoeren, dan moet je vooraf inzicht hebben in welke maatregelen – technisch, beleidsmatig, financieel – wel of niet effectief zijn. En hoe maatregelen doorwerken elders in het systeem.”

Pilots subirrigatie en stuwen

Je moet dus niet alleen aantonen dat iets werkt, maar ook snappen waarom. In Lumbricus zijn belangrijke vorderingen gemaakt, licht Raat toe. “Bijvoorbeeld dankzij goed bemeten en begrepen pilots, zoals met subirrigatie en slimme stuwen in Stegeren. En met de ontwikkeling van instrumenten als de Waterwijzer Landbouw en Waterwijzer Natuur, waarmee effecten van maatregelen kunnen worden doorgerekend. Dit werk gaat door, met als een van de belangrijke stappen het evalueren van maatregelen op de schaal van een heel stroomgebied.”

Echte samenwerking

In Lumbricus hebben vele partners samengewerkt aan klimaatrobuust waterbeheer. Wat heeft dit opgeleverd? “We hebben het in Nederland veel over samenwerken”, zegt Raat. “Maar een echte samenwerking komt pas van de grond als je ook letterlijk samen wérkt. In projecten, in het veld, in de analyses, in het organiseren van workshops, en in de aansturing van een programma. Doen dus. Zo leer je taal van de ander kennen, krijg je echt zicht op de vraagstukken vanuit verschillende perspectieven – waterbeheerder, agrariër, wetenschapper, bestuurder – en kun je samen stappen zetten. Dat is in Lumbricus goed gelukt, met een praktisch toepasbaar en wetenschappelijk onderbouwd naslagwerk als eindproduct.”