Nieuws

Wereldwijd protocol voor monitoring van lachgasemissies gelanceerd

Nieuwe praktijkrichtlijn helpt om N₂O-emissies beter te begrijpen, te voorspellen en te verminderen.

Lachgas (N₂O) is een van de belangrijkste bronnen van directe broeikasgasemissies bij rioolwaterzuiveringsinstallaties. Tot nu toe ontbrak een uniforme aanpak om deze emissies te meten. Daardoor waren resultaten lastig te vergelijken en was het moeilijk om inzicht te krijgen in de effectiviteit van maatregelen om emissies te verminderen. Om de sector hierbij te ondersteunen, heeft de Global Water Research Coalition (GWRC) het eerste wereldwijd afgestemde protocol gepubliceerd voor het monitoren en kwantificeren van N₂O-emissies bij rioolwaterzuiveringsinstallaties. Johann Poinapen, Impactleider Water voor schone energie en circulaire industrie, vertelt over de rol van KWR en het belang van deze nieuwe richtlijn.

Wat was de specifieke rol van KWR in dit project, en waarom was het belangrijk om betrokken te zijn bij deze internationale samenwerking?

“Wij waren vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling en review van het protocol getiteld A Practical Protocol to Monitor and Quantify Nitrous Oxide (N2O) Emissions. Mijn bijdrage richtte zich vooral op het ontwerp van meetlocaties en de uitwerking van praktijkcasussen. Daarnaast ondersteunde ik de opzet, uitvoering en coördinatie van het project. Ook collega’s van KWR hebben meegedacht tijdens de reviewfase.

N₂O is een wereldwijd vraagstuk. Juist daarom is internationale samenwerking belangrijk. Door onze Nederlandse ervaring te combineren met de kennis van drinkwaterbedrijven, onderzoekers en praktijkprofessionals wereldwijd, kunnen we bijdragen aan een gezamenlijke kennisbasis in plaats van afzonderlijke nationale benaderingen. Het protocol is gebaseerd op de ervaringen uit 30 casestudies in 10 landen, wat zorgt voor een stevige praktijkgerichte basis. Vanuit Nederland hebben STOWA en KWR bijgedragen aan verschillende casestudies die zijn opgenomen in het begeleidende protocoldocument.

Het protocol is gebaseerd op bijdragen van waterschappen en experts uit verschillende landen. Welke belangrijke uitdagingen helpt het protocol op te lossen voor afvalwaterbedrijven die N₂O-emissies consistenter willen monitoren en kwantificeren?

“Het meten van N₂O-emissies is complex. Emissies kunnen sterk variëren in tijd en plaats, terwijl organisaties vaak verschillende meetlocaties, apparatuur, meetperioden en berekeningsmethoden gebruiken. Dat maakt het lastig om resultaten te vergelijken.

Het protocol biedt daarvoor een gemeenschappelijk kader. Het beschrijft waar, hoe en hoe lang gemeten kan worden en hoe emissies berekend kunnen worden. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor verschillen tussen installaties en voor uiteenlopende meetmethoden.”

“De kracht van dit protocol is dat het wetenschappelijk onderbouwd is, maar vooral ook praktisch toepasbaar. Het helpt bedrijven om op een consistente manier te meten, terwijl er ruimte blijft voor de specifieke situatie van elke afwalwaterinstallatie.”
Johann Poinapen
Johann Poinapen

Welke nieuwe inzichten en praktische handvatten biedt het protocol aan de sector? En herken je daarin vragen of oplossingen die ook aan bod kwamen tijdens de N₂O Day bij KWR?

“Het protocol biedt concrete handvatten voor de keuze van meetlocaties, meetmethoden, de inrichting van meetcampagnes en het berekenen van emissiefactoren. Daarbij wordt erkend dat er niet één aanpak is die voor alle rioolwaterzuiveringsinstallaties werkt.

Dat sluit goed aan bij de discussies tijdens de N₂O Day die KWR in september organiseerde. Daar ging het onder meer over de vraag waarom piekemissies optreden, hoe meetgegevens kunnen worden gekoppeld aan procesdata en hoe de sector de stap kan maken van meten naar voorspellen, sturen en uiteindelijk verminderen van emissies.”

Wat voor impact verwacht je dat dit protocol zal hebben op de inspanningen om broeikasgasemissies uit afvalwaterzuivering te verminderen, zowel in Nederland als internationaal?

“Ik zie dit protocol als een belangrijke stap van meten naar verminderen. Door op een consistente manier te meten, kunnen we installaties beter met elkaar vergelijken, belangrijke emissiebronnen identificeren en vaststellen welke maatregelen daadwerkelijk effect hebben.

Voor Nederland biedt het protocol een internationaal referentiekader, terwijl Nederlandse praktijkervaring en onderzoeksresultaten kunnen bijdragen aan toekomstige doorontwikkeling. Internationaal kan het protocol helpen bij benchmarking, broeikasgasrapportages en het ontwikkelen van effectieve reductiestrategieën.

Uiteindelijk gaat het niet om standaardisatie op zichzelf, maar om het creëren van betrouwbare en vergelijkbare gegevens. Die zijn nodig om N₂O-emissies beter te begrijpen, te voorspellen en uiteindelijk terug te dringen.”

delen